zondag 9 september 2012

Huub Beurskens, Kid

Roman. Meulenhoff, Amsterdam 2007. Paperback. 275 pagina's. Vormgeving van omslag en binnen werk prachtig verzorgd door Office of CC.
Na de eerste lezing van deze roman sloeg ik het boek dicht, keerde de voorkant, waarop de hand van Abraham te zien is die de strot van Isaäk klaarlegt, nee: klaardwingt voor het mes, weer naar boven en begon zonder verwijl aan de tweede lezing, omdat het boek intrigeert, raadselachtig is enerzijds maar helder lijkt anderzijds, en vooral omdat ik dacht er nog niet de helft van te hebben gevat terwijl ik het wel tot over mijn oren had had zitten lezen, als ik het dan maar eens zo mag zeggen.
De grote lijn van het verhaal is niet erg moeilijk naar boven te halen. Hoofdpersoon is de schilder Kid - zo heet hij niet volgens de burgerlijke stand, maar een andere naam heeft hij niet in de roman; toen hij acht was werd hij zo genoemd door een schilder die de fresco's in een kerkje in de buurt van zijn ouderlijk huis restaureerde.
'Wat wil je later worden, Kid?
Het was voor het eerst dat iemand hem zo noemde, met een dik uitgesproken t, veel meer een d. Maar hij antwoordde zonder aarzeling.
'Schilder.'
Dat is meteen wel typisch Beurskens', denk ik. Het klinkt allemaal eenvoudig, bijna te voor de hand liggend, maar het klopt en er steekt meer achter. Kid de schilder kan enorm goed observeren en heeft ook veel kennis van wat hij ziet (biologische en architecturale terminologie bijvoorbeeld), maar hij is ook iemand met een groot voorstellingsvermogen; en dat kan ertoe leiden dat hij meer ziet dan er feitelijk is. Kid is verder inderdaad een getekende als kind, als zoon, zoon van een strenggelovige vader; hij ziet als kind hoe die schilder de fresco restaureert met een voorstelling van Genesis 22. En Kid zit vaak bij zijn vader als ze weer eens de plaatselijke berg beklimmen (het verhaal speelt voornamelijk op een naamloos, aanvankelijk paradijselijk, geaccidenteerd mediterraan eiland). Maar nu, nu hij de fresco zag, schrikt hij zich wezenloos. Angst. Hij is er ziek van en durft niet meer met zijn vader mee de berg op. Als hij het toch weer eens probeert, gaat het definitief mis wanneer zijn vader met een mes een koord rond een bussel takken doorsnijdt en Kid geen ram in de omgeving ziet, geen engel ook.
Toen Kid het eindelijk waagde thuis te komen leken er wel drie dagen verstreken en had zijn vader besloten uitsluitend nog het woord tot zijn zoon te richten via diens moeder, een vrouw van weinig woorden.
'Papa...' zei Kid stamelend.
'Waarlijk, die jongen is mijn zoon niet,'zei de man tegen de vrouw.
Dat is ook Beurskens': de gestrenge afstandelijkheid van de vader kruipt onmiddellijk in de taal van de auctoriale verteller: narratologisch-thematische permeabiliteit. Daar staat tegenover dat wanneer het personages te tragisch te moede wordt de vertelling vaak overgaat van direct betrokken showing naar veel afstandelijker telling, zoals in een emotioneel telefoongesprek tussen Kid en zijn vrouw Nina; daarin wordt eerst het gesnot- en gestotter van Kid afgebeeld totdat Nina zegt: 'Huil maar, toe maar, Kid' en dan volgt er: 'En hij huilde hartverscheurend.' Normaalgesproken kan ik dat soort frases niet verteren in een roman, maar in deze, die toch al zo vol zit, kan ik het wel lijden, omdat er zo veel anders omheen staat. Het duurt na die angstscène nog een tijd, maar op zijn achttiende verlaat Kid voorgoed en onherroepelijk zijn ouderlijke huis en haard (waar hij inzekere zin al uit was gezet door zijn vader) om ver van het eiland, in de wereld een volkomen ongelovige, kinderloze kunstschilder te worden, niet in een realistische trant natuurlijk, maar een abstracte. Om kort te gaan - omdat het toch onmogelijk is dit verhaal in weinig woorden na te vertellen - als de vader op sterven ligt, keert Kid terug naar het paradijs van zijn vroege jeugd, blijkt hij toch een zoon te hebben, die hem juist dan op dat eiland eindelijk (terug)vindt en die dat met de dood moet bekopen. Er was geen ram in de buurt, geen reddende engel.
Niet ten onrechte rept de achterflaptekst van 'een haast mythische tragedie'. Het gaat hier inderdaad om aan boven- of buitenmenselijke krachten onderworpen individuutjes die zich zelfstandige mensen wanen. Veel van wat ad hoc lijkt, blijkt een parallel te hebben of een spiegelbeeld. Het boek hangt ook vol van spiegels. De - nooit ge-echte - zoon van Kid heet Axel; de wettelijke vader van Axel verliet vrouw en kind toen dat kind acht jaar oud was; Axel is wel gelovig of denkt het te zijn, en is later toch ook bioloog (wanneer hij met Kid de berg beklimt, benoemt de een de fauna, de ander de flora). De moeder van Kid heet Alexa. De wettelijke vader van Axel speelde een rol in Betrayal van Pinter toen zijn vrouw een zeer kortsondige affaire heeft met Kid. Om maar iets te noemen.
Maar als ik het zo navertel, is er niets aan, terwijl toen ik het las ik daar helemaal geen last van had, ondermeer doordat de roman zo vol is (naar mijn smaak niet te vol) en ook doordat de eenendertig hoofdstukken waaruit de roman bestaat, niet strikt chronologisch gemonteerd zijn en steeds een ander personage centraal stellen, en ook doordat de roman een mengeling is van realiteit en surrealiteit, van pathetiek en afstandelijkheid, van personale en zeer auctoriale vertelling, trivialiteit en ernst, stoofschotelreceptuur en morele overwegingen. En die verschillende onderdelen, zoals ook weergaven van 'de' werkelijkheid en weergaven van de beperkte visie op die werkelijkheid van een personage, zijn zonder enige overgang aan elkaar verbonden. Je moet je al lezend steeds oriënteren in de verhaalwereld.
De textuur van de vertelling is als die van goed gerezen oliebollenbeslag: alles hangt samen maar de densiteit varieert enorm en er zitten, behalve stukjes appel en succade en krenten en rozijnen, dan ook enorme blazen in; de act van het lezen is als het bakken: alles wordt gaar en rond en het smaakt daarna geweldig, zelfs zonder poedersuiker.
In de verantwoording wijst Beurskens erop dat de roman frasen en beelden bevat die ontleend zijn aan het werk van W.H. Auden, Bernardo Bertolucci, Georg Büchner, Franz Kafka, Ridley Scott en Lucius Annaeus Seneca... ik heb er vierkant langsheen gelezen. Ik voel me maar een matig lezer. En kijker, want Alien heb ik nooit gezien.






Geen opmerkingen: