woensdag 1 februari 2017

Juli Zeh, Ons soort mensen

Vertaald uit het Duits door Annemarie Vlaming. 4e dr. Ambo|Anthos, Amsterdam 2016. 670 blz. Hardcover met stofomslag. Oorspr. Unterleuten (2016).

Van Duitsland weet ik feitelijk zo weinig, dat het me geen moeite kost om deze realistische roman niet alleen als een fictieve, maar ook als een reële doch gefictionaliseerde beschrijving van een (mogelijke) Duitse realiteit op te vatten. De geografische naam 'Unterleuten', een voormalig-Oost-Duits gehucht, lijkt me net zo fictief als 'Lutjebroek' in een Nederlandse roman, de referentie aan 'Berlijn' net zo evident een fictionele als ook een reële verwijzing, vergelijkbaar met een referentie aan 'Amsterdam' in een Nederlandse roman.

Niets staat een onbekommerde lectuur van de Nederlandse vertaling in de weg. En: het boek is prachtig, klassiek op de pagina's terechtgekomen. Alleen de titel vind ik een beetje bagger in het Nederlands. Maar een betere weet ik niet, dus daar moet ik niet over zeuren.

Waar ik wel over wil zeuren is de afbreking van 'meteen': meer dan eens verschijnt dat woord op twee regels alsof er een suikerzieke Amsterdammer aan het woord is: 'me teen'. Jammer, maar een detail.

Deze roman is groots. Deze roman is een even vreugdenrijke als van kritische misantropie doortrokken amalgaam van - ik doe een gokje - Couperus' De boeken der kleine zielen, Streuvels' De vlaschaard, Claus' De Metsiers en Jonathan Franzens Freedom. Alleen speelt het gebeuren zich af in 2010 en in een voormalig Oost-Duits plattelandsdorp, Unterleuten, waar naast oer-Ossies ook moderne nieuwelingen wonen, waar de geschiedenis van voor de val van de muur nog niet verleden, laat staan verwerkt is, waar het landelijke natuurschoon, biotoop van de kemphaan, bedreigd wordt door de bouw van zeer verantwoorde en gemeentekasspekkende windmolens, en waar mede op basis van die gegevens talloze persoonlijke geschiedenissen, dra- en trauma's zich ontwikkelen, verknopen, tot een climax aanwassen en exploderen dan wel eroderen.

Het boek omvat 62 hoofdstukken, Arabisch genummerd en voorzien van de naam van het - per hoofdstuk wisselende - focaliserende personage; alleen het 62ste wijkt ik zoverre af, dat daarin, als een duveltje uit het spreekwoordelijke doosje, ene Finkbeiner centraal staat, Lucy Finkbeiner, de journaliste die dat dorp eens flink onder de loep heeft genomen nadat ze online een nieuwsbericht had gelezen: 'In een dorp in Oost-Prignitz, in het noordwesten van Brandenburg, was uit een horizontaalfilterput het lijk van een man geborgen.'

In alle hoofdstukken heeft een auctoriale vertelinstantie stevig de stilistische en narratologische touwtjes in handen. Bij alle spectaculaire fragmentatie blijft de roman een sterk geheel. De vertelinstantie presenteert het relaas van Fliess, Franzen (inderdaad), Meiler, Schaller, Gombrowski, Kron, Fliess-Weiland, Wachs, Gombrowski, geboren Niehaus, Seidel en Kron-Hübschke.

De zes Romeins genummerde en van een titel voorziene delen van de roman hebben elk een motto, vaak ontleend aan een van de romanfiguren, soms aan figuren of bronnen die pas bij nader inzien in de roman blijken te figureren. Pas op het allerlaatst blijkt dat Lucy Finkbeiner samenvalt met de vertelinstantie en de implied author.

Inderdaad: dit is een ouderwets opgezette, moderne en kritische en humoristische zedenroman, waar de schrijflust vanaf spat en die de leeslust navenant opwekt.

Frederik haatte de natuur zolang die zich niet in zachte tinten op de beeldscherm-achtergrond van zijn computer bevond.
Ze waren zelfstandig, zelfverzekerd, zelfzuchtig, wandelende selfies, twee steeds in beweging zijnde zelfportretten. Als Meiler zich de nieuwe generatie voorstelde, zag hij een leger van jonge mensen met uitgestrekt rechterarm, niet om de Hitlergroet te brengen, maar om hun eigen gezicht vast te leggen met de smartphone.

zaterdag 7 januari 2017

Vladimir Nabokov, The Original of Laura

(Dying is Fun). Edited by Dmitri Nabokov. Penguin Classics, London 2009. Hardback met stofomslag. 278 blz.

Op het stofomslag luidt de ondertitel: A Novel in Fragments, wat maar gedeeltelijk klopt, want het is de facsimile-editie van het materiaal van Nabokovs laatste, onvoltooide roman, die door die onvoltooidheid  fragmentarisch is. Mijns inziens wijst niets erop dat de roman fragmentarisch bedoeld was, denk ik. In ieder geval ging Nabokov dood voor hij ermee klaar was. En hij had te kennen gegeven dat het materiaal vernietigd moest worden als hij voortijdig zou sterven. Dat laatste hebben zijn nabestaanden, vrouw en zoon, niet gedaan; in tegendeel.

Het materiaal bestaat uit 138 systeemkaarten die enkelzijdig zijn beschreven, de meeste met potlood, een enkele, beter gezegd: één enkele met ballpoint. Onder alle kaarten is een transcriptie van de tekst opgenomen. De bezorger, Dmitri Nabokov, heeft helaas geen poging gedaan ook de doorhalingen te leesbaar te maken. En een beetje jammer is dat de transcripties niet echt diplomatisch en sowieso niet integraal zijn. Een zelf-instructie van de auteur op p. 211 wordt bijvoorbeeld helaas niet getranscribeerd. In de rechter hoek van de kaart die gaat over 'self-extinction' en 'self-immolation' noteert Nabokov bovenaan: 'three card[s] at least / of this stuff'). Een schitterend kijkje in de keuken, en een mooie tegenhanger van J.H. Leopolds 'Niet teveel gelul'.

Het boek is er een dat je echt in handen moet hebben, niet in digitale vorm moet lezen, want het is heerlijk materieel, niet alleen doordat er zwaar papier voor gebruikt is, waardoor het boek goed weegt, en ook niet alleen doordat al die facsimile's erin zijn opgenomen, maar vooral doordat al die systeemkaarten rondom geperforeerd zijn: je kunt ze uit het boek halen en proberen er een betere roman van samen te stellen dan in deze editie gebeurd is (de bladzijden zijn dus systeemkaart-dik). Leuke klus voor hoogmoedigen die denken Nabokov te kunnen verbeteren (er schiet me een herinnering te binnen aan, ik meen, 'Wild Gardening' van Bernlef; maar dit terzij).

Een van de verhaallijnen in de roman, neergelegd in de laatste tientallen kaarten en aansluitend bij de ondertitel, is die van en over 'Dr. Philip Wild, a man of brilliance, wit fortune and tremendous bulk, [who] is used to suffering humiliation at the hands of his wife, the young, slender, and rudely promiscuous Flora. [...] Wild still finds pleasure in life by indulging in virtual self-annihilation, beginning with the removal of his toes.' Aldus de flaptekst, die al wat te proeven geeft van het rijke vocabulaire en de dito syntactische stijl van Nabokov zelf.

Dat in aanzet ondernomen levenseinde van Wild komt mooi tot uitdrukking in de onvoltooidheid van de, gaandeweg steeds fragmentarischer wordende roman-in-wording. Deze paradox alleen al maakt deze tekst een echte Nabokov-roman, eens te meer omdat precies dat ertoe leidt dat je toch kunt betwijfelen of deze roman als roman wel echt onvoltooid is.

Die twijfel wordt alleen maar sterker voor wie Nabokovs Pale Fire las, een roman in de vorm van de geannoteerde leeseditie van een onvoltooid episch gedicht. In The Original of Laura komt een andere roman ter sprake, My Laura, geschreven door een amant van Wilds eega Flora, die ergens in deze roman ook voorkomt als FLaura. Het is wel te begrijpen dat Vera en Dmitri Nabokov er dertig jaar over hebben gedubd vooraleer ze de roman toch maar uitgaven; uiteindelijk heeft Dmitri, die in het voorwoord spreekt van 'Dmitri's dilemma', dat gedaan, Vera was toen al overleden.

Eigenlijk is er niets zo leuk als door een roman, in welke vorm dan ook, op het verkeerde been gezet te worden, of nu eens op het ene, dan weer op het andere, en dat allebei eigenlijk best wel goed zijn, maar niet tegelijkertijd. Maar lastiger wordt het, als ook de editie zelf niet geheel betrouwbaar lijkt. Want de bezorger heeft de ruimte gekregen om ook alle achterzijden van de kaarten in facsimilé op te nemen. Geen van die achterzijden is beschreven; die reproducties zijn dus louter luxe maar wel goed voor het effect van echtheid, zeker voor wie de kaarten uit het boek sloopt en er zelf mee verder gaat goochelen. Maar wie goed oplet, ziet niet alleen dat op sommige achterzijden een kruis staat, maar ook dat een fors aantal van die kruizen domweg (tot in detail) identiek zijn (plaats, schrijfstof, ductus), bijvoorbeeld die op p. 134 en 138 (zie foto's hieronder) maar ook die op p. 140 en 144, en nog veel meer. Twee soorten kruis domineren vele van de achterkanten: er is dus ronduit op z'n Volkswagens gesjoemeld met de facsimile's. Da's nou jammer.

De kaarten bestaan toch echt: in 2009 zijn ze geveild, blijkens The Wall Street Journal. Stel je voor, dat van een roman die The Original of Laura niet het originele materiaal bewaard zou zijn, en dat daar niet een facsimile van zou bestaan. Er is al onzekerheid genoeg in de wereld. 'Toch?'



donderdag 5 januari 2017

Kamel Daoud, Meursault, contre-enquête

Roman. Actes Sud, z.p. 2014 (oorspr. Éditions barzakh, z.p., 2013). Paperback met flappen, 153 blz.

Deze debuutroman is te zien als een contrafact van de debuutroman van Albert Camus (destijds ook een jonge journalist te Algerije). Begint L’Étranger (1942) met de vermelding van de dood van de moeder van de ik-figuur, Meursault, contre-enquête begint met de mededeling dat de moeder van de ik-figuur nog leeft. Schiet Meursault zomaar een Arabier’ dood, in deze roman is de broer van die ‘Arabier’ aan het woord, en door hem pas krijgt die Arabier een naam, Moussa,  en dus ook een broer (die pas op pagina 115 te kennen geeft dat hij Haroun heet), en een moeder, die steeds ‘M’ma’ wordt genoemd, kortom: een aanzet tot persoonlijke identiteit.

Deze roman is uiterst toegankelijk en toch zit ze net een tikkeltje ingewikkelder in elkaar dan die van Camus. Het is weliswaar ook een ik-vertelling, maar deze Algerijn steekt zijn verhaal – in het Frans – in een kroeg af tegen een anoniem iemand, zoals dat ook gebeurt in Camus’ La Chute. Deze iemand beschouwt hij als een bewonderaar van Meursault, die hij vereenzelvigt met de schrijver van (wat wij kennen als) het verhaal over Meursault. Hij stelt ook het jaar van verschijnen van L’Étranger gelijk aan het jaar van de moord door Meursault. Tegen het eind van de roman, op bladzijde 137, blijkt dat ‘eigenlijk’ niet Camus’ debuut de grondstof is, maar de (fictieve) roman L’Autre, geschreven door ene Meursault.

Regelmatig zegt de ik-figuur tegen de ‘tu’ iets over ‘ton héros’, doelend op Meursault. Ik ontkwam er niet aan me, als westerling, aangesproken te voelen; gelukkig is Haroun geen haatdragend mens. Hij heeft het nochtans niet zo op die Meursault, niet alleen omdat die achteloos zijn broer doodschoot,  meer nog omdat hij zijn broer in zijn roman niet eenmaal bij zijn naam noemde doch vijfentwintig keer slechts met ‘Arabier’ aanduidde, en diens lijk heeft doen verdwijnen in het niet. De rouw van Haroun en zijn moeder bleef eindeloos, wegens gebrek aan afscheidsritueel, afronding. En vergeet ook niet dat Meursault niet ter dood werd veroordeeld wegens de moord, maar wegens het niet in acht nemen van de gewoon geachte (christelijke) gebruiken van rouw bij het overlijden van een moeder.

De ik-verteller van Daoud is een verteller binnen een raamvertelling: de tekst wordt niet door de dagen achtereen pratende Haroun zelf genoteerd, maar door die aangesproken ‘tu’. De roman, of Haroun, legt een aantal cruciale manco’s in Camus’ debuut bloot, koloniale en/of racistische manco’s. Anderzijds wordt duidelijk dat Haroun veel kernwaarden van de ethiek of de filosofie van Meursault/Camus onderschrijft. Hij ziet zichzelf, begrijpelijk, als een absurde held. De moord op zijn broer werd gepleegd toen de verteller zeven jaar oud was; de rest van zijn leven, goeddeels doorgebracht met zijn moeder, die de moord niet kan verkroppen (zijn vader was er al voor de moord vandoor gegaan). Haroun heeft het gevoel dat hij steeds maar het lijk van zijn broer de helling op zeult, dat het dan weer naar beneden dondert, en hij van voren af aan verder moet. Gelukkig, zoals we ons Sisyfus volgens Camus’ Le Mythe de Sisyphe (1942) moeten voorstellen, is hij bij dit alles echter niet. Onmogelijk.

Om het leven toch nog enigszins in balans te brengen, vermoordt Haroun twintig jaar later (en dat is twee jaar na de dood van Camus) een Fransman, Joseph Larquais. Haroun wordt geen moord verweten, maar wel dat hij die moord (pas) heeft gepleegd na de be-eindiging van de Algerijnse vrijheidstrijd (5 juli 1962) en niet tijdens die oorlog, dat hij, met andere woorden, niet met zijn broeders heeft gestreden. Door het achterwege blijven van een officiële beschuldiging (zo erg was het nou ook weer niet om nog een Fransman om zeep te brengen), is zijn daad onbedoeld even gratuit als die van Meursault in de roman van Camus. Bovendien blijft Haroun daardoor een buitenstaander, een vreemdeling. Meer nog dan hij al dacht, leidt hij een absurd bestaan. Deels is dat een keuze, doordat hij zijn individualiteit claimt of probeert te claimen en daarmee zijn vrijheid. Heel fraai verwoordt hij dat in relatie tot het geloof: ‘La religion pour moi est un transport collectif que je ne prends pas. J’aime aller vers ce Dieu, à pied s’il le faut, mais pas en voyage organisé. Je déteste les vendredis depuis l’Indépendance, je crois.’ (p. 76)


Deze roman laat prachtig zien waartoe een goede roman bij uitstek in staat is: het voorstelbaar maken van het niet bestaande, van het onbestaanbare. Daouds debuutroman lijkt wat dat betreft op die van Hagar Peeters, Malva.

P.S.
Bas Heijne schreef in 2015 in de NRC een mooi stuk over de roman van Daoud.

zondag 18 december 2016

Juli Zeh, Spieltrieb

Roman. Taschenbuch-Sonderausgabe. btb Verlag, München 2011 (Original-Ausgabe: Schöffling & Co., Frankfurt am Main 2004). Hardkaftboek met linnen omslag, en leeslint, 822 pagina's.

Eerlijk is eerlijk: ik heb dit boek gekocht omdat ik 1. in een heel mooie en rijk gevulde boekhandel was waar ik niet vaak kom (de Eerste Bergensche Boekhandel te Bergen N.H.), en
2. het qua materiaal en omvang en gewicht en handpasselijkheid een vrolijk makend mooi boekje vond en nog steeds vind (10 x 15,5 x 5 cm).

Van de schrijfster had ik, tot mijn schande, nog nooit gehoord en van deze roman ook niet (de Nederlandse vertaling, een dito toneelbewerking en een Duitse verfilming ten spijt). Het boek verscheen in het jaar waar het grotendeels ook in speelt, toen de schrijfster dertig jaar oud was. Dat laatste lijkt me niet veel, gerelateerd aan de serieuze, rijke en gevarieerde inhoud van deze roman en gelet op de – voor zover ik dat beoordelen kan – waanzinnig rijke taalbeheersing van de auteur. Of eigenlijk is dat laatste regelrechte onzin. Wat weet ik daar nou van? Ik bedoel alleen maar: Zeh schrijft haar Duits met een Schwung waarvan ik de gelijke in lang niet meer in een Nederlandse roman ben tegengekomen. Herstel: Weijers, Polak, Peeters en Hofstede vormen  hier een heel goed referentiekader.

Voor de zekerheid, wat wil zeggen: ter compensatie van mijn vocabulaire onzekerheid, spiekte ik af en toe in de digitale Nederlandse vertaling, soms om erachter te komen dat ik inderdaad enkele Duitse woorden niet kende, maar vooral dat de moeilijkheden die de roman hier en daar biedt, niet zozeer in het Duits als in de opzet van de roman gelegen zijn, in de vertelwijze. Zeh maakt af en toe vrij wilde vertelsprongen, doordat ze lang niet altijd de personagetekst tussen aanhalingstekens zet, doordat ze zich bij tijd en wijle heerlijk laat gaan in ellenlange uitweidingen en beschrijvingen, en vooral in metaforen die tegelijk buitengewoon en toch ook bijzonder aangenaam en passend zijn; daar komt nog bij dat de zinnen die ze schrijft en dus ook de monologen die ze haar personages laat uitspreken en de dialogen die ze hen laat voeren van een inhoudelijke denkkracht en een vormelijke rijkheid zijn, dat je je er je geestelijke vingers taalkundig nagenietend nog tijdens het lezen bij aflikt.

En dat alles in een verhaal dat handelt over (vooral) twee betrekkelijk jonge personages die nogal grondig onderhevig zijn aan de invloed van het (post)nihilisme en zich te buiten gaan aan een spel-theoretisch onderbouwd ethisch experiment, met extreme consequenties. Dus geen amechtige en monosyllabische, van schuttingtaal doorspekte spreektaalzinnetjes zoals we die uit Nederlandstalige quasi-modern-actuele romannetjes kennen, nee: Taal! Intellectuele uitdaging en -dijing. En dus ook: personages die alles behalve realistisch zijn, maar toch ook zeker niet grotesk worden (vind ik althans).

En dan heb ik nog maar een paar procent meegekregen van de Musil-, Derrida-, Nabokov- en andere referenties in deze roman, die ook doordrenkt is van alle mogelijke clichés die een rol kunnen spelen in een verhaal dat zich afspeelt op een niet echt middle-class middelbare school anno 2004 in West-Europa.

Met minstens zoveel plezier heb ik deze roman in de vertaling herlezen. Het mooie is ondermeer dat het allemaal niet netjes is afgewerkt, maar hier en daar grof, springerig, rommelig, met grote steken in elkaar gezet lijkt. En dan is ook nog het contrast tussen de schijnbaar interesseloze levenshouding van de twee hoofdpersonages en de steeds welverzorgde taal en hun alles behalve oppervlakkige gedachtengangen.

zondag 20 november 2016

Vlam in die sneeu

Die liefdesbriewe van André P. Brink & Ingrid Jonker. Bezorgd door Francis Galloway. E-boek. Umuzi, Kaapstad 2015.

Niet goed van dit boek is allereerst het omslag (zie daarover twee postjes In den vroolijken hermeneut) en tot slot de ondertitel.

Om met het laatste te beginnen: dit boek, waarvan ik weer eens niet weet hoe omvangrijk het is in het 'echt', op papier, is de uitgave van de volledige corrspondentie van Brink en Jonker, voorzover de documenten of de doorslagen en andere kopieën overgeleverd zijn; maar dat spreekt voor zich (wat er niet is, kan je niet uitgeven). En het is duidelijk dat niet alle documenten bewaard zijn gebleven: er zitten gaten in de correspondentie, ook al zijn er ook telegrammen in opgenomen.

Maar de aanduiding 'liefdesbriewe' lijkt me een ferme knieval voor de sensatiebeluste lezer. Het gaat hier nogmaals om de briefwisseling tussen een dichteres en een schrijver/letterkundige, die elkaar (zij 29, hij 27 jaar oud) in Kaapstad ontmoetten op 18 april 1963, waar zij op bezoek waren bij Jan Rabie en Majorie Wallace. Jonker woonde ook in Kaapstad, met haar dochtertje en met, of in de buurt van, een geliefde; Brink woonde hemelsbreed 756 kilometer verderop naar het oosten in Zuid-Afrika, met zijn vrouw en hun zoontje, in Grahamstad. En in de tijden ver voor internet, en in een situatie waarin het niet makkelijk was om ongedwongen telefonisch contact te hebben (nog afgezien van de kosten die dat meebracht voor deze voortdurend armlastige literatoren), schreven mensen elkaar brieven, over hoe het met hen ging, over literatuur in het algemeen en over hun eigen literatuur in het bijzonder, over het weer, over hun kinderen, over de apartheid, over de steeds maar dreigende en erger wordende censuur in hun land, over wel of niet uitgegeven worden, over literaire tijdschriften, over wel of niet een prijs winnen bijvoorbeeld. Over van alles en nog wat. Zoals dat gaat in een briefwisseling.

Maar inderdaad, zoals in de inleiding van het boek staat met betrekking tot bezoek aan Kaapstad door Brink in april '63:  'In die twee dae voordat hy moes terugkeer na Grahamstad, het hulle halsoverkop verlief geraak.' Het onderwerp, het thema 'liefde' is sterk vertegenwoordigd in deze brieven. Heel sterk. Heel hartstochtelijk, en heel fysiek, en heel wanhopig, en uiteindelijk ook fataal voor Jonker, die, voor die ontmoeting met Brink al opgenomen was geweest in een psychiatrische inrichting.

De inleiding tot de brievenuitgave, 'Veroordelende blou woorden op papier', is geschreven door Willie Burger van de Universiteit van Pretoria. Hij weet goed duidelijk te maken dat deze correspondentie niet alleen Liefdes perikelen, maar ook steeds andere onderwerpen aansnijdt, en die weet hij goed aan te duiden. Nochtans vond ik het gemakkelijk om langs die 'andere' onderwerpen heen te lezen en werd mijn aandacht steeds maar weer naar dat zinderende liefdesverhaal gezogen. Dat komt doordat de brieven in het geheel niet geannoteerd zijn. Dat maakt secuur en volledig begrijpend lezen tot een behoorlijke kluif voor iemand die, zoals ik, alles behalve goed op de hoogte is van zowel de Zuid-Afrikaanse geschiedenis als van de Zuid-Afrikaanse literaire wereld van de tweede helft van de vorige eeuw (de gedichten van Jonkman heb ik in huis, van Brink las ik nog geen letter; verder wat hapsnap, Krog maar vooral ouder werk, en Die wit in die poesie, zonder goed besef van 'posities').

Ook de dieptepunten in de persoonlijke relatie tussen Jonker en Brink komen niet heel expliciet  naar voren, om- en doordat die meestal plaatsvonden als ze elkaar in vivo ontmoetten; en dan, tja, vanzelfsprekend, dan schreven ze elkaar geen brieven. Maar precies dat, in combinatie met het ontbreken van geleerd, duidend commentaar, maakt de lectuur van deze correspondentie zo intrigerend en tot een literaire ervaring. Het lijkt me dan ook niet overdreven, zoals Burger suggereert, dat het boek ook goed is te zien als een briefroman, met alle genreconventies die daarbij horen: verloren gegane brieven, brieven die elkaar kruisen, het ontbreken van andere correspondentiebronnen (de bandopnames die ze elkaar sturen, en waar ze wel over schrijven bijvoorbeeld). Het abrupte begin en het dito eind dragen er het nodige aan bij.

En daarmee ben ik toch weer terug bij wat ik elders over het omslag scheef. Jonker lijkt hier enigszins gebruikt te worden, haar naam, haar faam, en haar foto op het omslag van de Afrikaanse uitgave. Dit eens te meer omdat de correspondentie begint met een brief van Brink, daarna vooral zijn kant van de correspondentie weergeeft (omdat die nu eenmaal beter is geconserveerd en toegankelijk is, want de brieven en kopieën komen uit zijn nalatenschap). Naar het slot van de correspondentie (en de relatie) overweegt opmerkelijk genoeg Jonkers - steeds wanhopiger - bijdrage, maar de laatst brief is van Brink en die is desastreus: hij schrijft op 27 april 1965, nota bene na eerst doodleuk Eliot aangehaald te hebben - April is the cruellest month - dat hij een nieuwe geliefde heeft: 'Ja. Ek was toe by haar. En ons het saam geslaap.' Het slot van dit drama is bekend maar blijft uiteraard onbeschreven in de brieven. 




vrijdag 14 oktober 2016

Marc Reugebrink, Het huis van de zalmen

Roman. e-book, Amsterdam-Antwerpen, Querido 2016.

Van Marc Reugebrink heb ik dus te weinig gelezen, dat is wel duidelijk nu. Lang geleden, in 2000, las ik Wild vlees, zijn eerste roman, die in 1998 was verschenen; die was destijds (nog) niet aan mij besteed, zie ik in mijn leesdagboek (ik ben ook geen gemakkelijk te paaien, buigzame lezer, ik weet het, eerder een luie feestlezer). Zeven jaar later, in december 2007, las ik Het grote uitstel. Dat boek heb ik 'gretig ten einde gelezen', blijkens mijn volgende leesdagboek (of: leeslogboek, dat is een betere genre-aanduiding; oh, ik zie dat ik dat jaar dit blog was begonnen en deze roman erin noem). Het huis van de zalmen past wat mijn leesplezier betreft heel goed bij Het grote uitstel.

Zonder dat ik heel het oeuvre kan overzien, verre van dat zoals ik al aangaf (Komgrond en Wade staan hier wel in de kast maar die las ik een kwart eeuw geleden), lijkt het erop dat Reugebrink qua compositorische complexiteit in regressie is. Het huis van de zalmen is kraakhelder. Geen door de lezer uit te pluizen en te deconstrueren focalisatiemachinaties, geen dito verteltechnische manipulaties, geen gewaagde metaforiek, om maar wat te noemen. Maar bijvoorbeeld wel deze fantastische vergelijking: "Ze [het meisje van de Noorse slagerij] klonk als een struise Friezin juist voor het melken." Al weet ik niet zo gauw wat de ground van deze vergelijking is (mijn omgang met struise Friezinnen is zeer beperkt). En bewonderenswaardige beschrijvingen van voedsel, van wijnen, van smaken.

De hoofdpersoon, de ik-verteller, Marcel Rüge (die wat betreft naam, leeftijd, woonplaats, familiale omstandigheden wel wat weg heeft van zijn auctor intellectualis) is (mede-) eigenaar van een restaurant, L'Ange perdu. Vandaar die mooie beschrijvingen en vandaar wellicht ook het gegeven dat Marcel wat te dik is. Hij is in Noorwegen van wege een geschil met zijn chef-kok over de smaak van wilde zalm versus die van kweekzalm, duur versus goedkoop. Doordat hij nogal met zichzelf begaan is (maar misschien onbewust niet tevreden) valt het hem niet meteen op dat er berichten op zijn telefoon verschijnen op de momenten dat hij bereik heeft. Dus overvalt het hem dat zijn moeder is overleden. Zijn vader was al overleden. En: zijn zus, Angelique, met wie hij het restaurant heeft opgezet (heette het toen al zo?) is ook al overleden; en later komt hij erachter dat er een eerste broertje of zusje dood geboren is geweest (wist zijn zus dat wel en heet het restaurant daarom zo?).

Maar als ik het zo opteken, wordt het allemaal al te vlak. Je moet de informatie vernemen in de dosering en het tempo waarin Marcel het allemaal vertelt, waarin Reugebrink het presenteert, want juist in de dosering en het ritme van het narratief schuilt een belangrijke component van de pracht van deze roman. Je voelt de versnellingen, de vertragingen, het stijgen naar een ontlading en dan weer de schok van iets onvoorziens. Die smaakbeschrijvingen van weer een wijn en van weer een amuse-gueule zijn er niet om zichzelf of om de hoofdpersoon te typeren of voor de couleur locale, ze bouwen mee, ze dragen bij aan het ritme van de ontwikkelingen (dus: dat ik elders spelenderwijs geprobeerd heb een kleine passage van deze roman ietwat korter door de bocht te formuleren, blijkt in het licht van wat de roman wil nogal onzinnig; iedere uitweiding of vertraging is hier op zijn plaats en heeft een functie en wat mij betreft ook effect).

Was Het grote uitstel al een coming of age-roman, je zou dat ook van Het huis van de zalmen kunnen zeggen, al gaat het daarin over een heel andere levensfase en leeftijd: Marcel komt er door de dood van zijn moeder achter wat het betekent om te blijven leven terwijl al je naaste verwanten eraan gaan. Hoe zeer zijn Suzanne ook met hem begaan is en hem steunt, hij staat er uiteindelijk helemaal alleen voor; een kille bestaanswind slaat hem om de schoften terwijl zijn stal instort, en hij wil mede daarom zijn familiegeschiedenis reconstrueren, eens te meer omdat hij er niet voor heeft durven kiezen de familielijn voort te zetten, ook al wilde Suzanne dat nadrukkelijk wel. Onderwijl gaat hun restaurant naar de gallemiezen. Ook dat nog.

Ik denk dat ik deze roman, nadat ik hem nog eens gelezen zal hebben, liever niet een psychologische, maar een existentiële roman noem omdat er een wijze van zijn in beschreven wordt die als fundamenteel beschouwd wordt door de ik-verteller (nogal wiedes, anders zou hij er niet zo over uitweiden). Indruk- en huiveringwekkend is de levensgeschiedenis van zijn moeder die Marcel na haar dood (re)construeert op basis van haar nalatenschap, vooral de twee breukmomenten: de geboorte van het eerste kind, het verlies van het tweede.

P.S.
22/11/2016
Herlezen. Die regressie die ik hierboven noemde, zit ook in Marcel die de geschiedenis van zijn moeder (of meer in het algemeen: zijn persoonlijke voorgeschiedenis) probeert te reconstrueren aan de hand van wat hij allemaal vindt in haar laatste woonst (iets zegt mij dat er een verband is met Gesloten huis van Nicolaas Matsier); vooral veel documenten (wat dat betreft is deze roman wellicht ook te vergelijken met het eerste deel van de biografie van Mulisch die Robert Ammerlaan binnenkort publiceert).

Op basis van haar documenten bouwt Marcel een beeld op van het leven van zijn moeder en vindt hij tegelijkertijd zijn eigen wortels terug (en de breuk daarin), en vooral komt de schade daarboven van het ontkennen, verzwijgen van onderdelen van je geschiedenis. In het leven van zijn moeder is altijd een heel ingrijpende gebeurtenis verzwegen gebleven, zowel tussen Marcels moeder en haar echtgenoot, als tussen haar en haar kinderen.

Fraai vind ik dat Marcel verslag doet van zijn (re)constructie op de wijze waarmee Stern in Max Havelaar omgaat met het materiaal in het pak van Sjaalman. Er staat ook, met betrekking tot een bron van Marcels persoonlijke (voor)geschiedenis, heel Sterniaans: "(Ik heb het hier voor me liggen.)" Aldus wordt de spanning tussen fictionaliteit en realiteit/historiciteit goed voelbaar gehouden.

In Het huis van de zalmen wordt gerefereerd aan de terugkeer van (wilde) zalmen naar hun geboorteplek, terug de rivier op, om daar te sterven. Dat is bijna wat Marcel doet. Vanuit nota bene Noorwegen moet hij wegens het sterven van zijn moeder terugkeren naar Nederland en vandaar keert hij indirect (reconstruerend) terug naar zijn geboortegrond, het noordoosten van Nederland, in een beschrijving waarvan het woord "komgrond" zelfs een keer valt.

Dit gegeven heeft weer te maken met het conflict tussen Marcel en zijn chef-kok Enzo, dat de inzet van, de aanzet tot het verhaal is: Marcel is op de penning en heeft er geen probleem mee om  gekweekte zalm serveren, zolang de smaak maar goed is; Enzo heeft een andere opvatting en meent te kunnen ervaren als kok dat gekweekte zalm geen geboortegrond heeft, "geen huis, geen thuis. Hij kan niet gehoorzamen aan zijn eigen natuur."

In iets andere woorden: Enzo is meer van een aan mindfulnessiness gerelateerde kookkunst, ook al drapeert hij zijn gerechten nogal nouveau cuisinerig op de borden. Maar Enzo vind er dan ook geen graten in om een beest te doden, schoon te maken, te villen en te bereiden. Marcel is wat pragmatischer, naar het schijnt, en gruwelt ervan als je nog het beest kunt herkennen in het gerecht dat op je bord ligt. Maar hij komt er - het gaat niet snel - achter dat hij toch wat essentialia heeft verwaarloosd door die houding. De roman laat wijselijk in het midden of hij dit inzicht overleeft.

vrijdag 7 oktober 2016

Vikram Seth, The Golden Gate

Dertig jaar geleden verschenen; pas zestien jaar geleden in februari 2000, kreeg ik The Golden Gate cadeau, a novel in Verse, geschreven door Vikram Seth, een boek waarvan zelfs de onderdelen 'Acknowledgments', 'Dedication' en 'Contents' de omvang, metriek en het rijmschema van een sonnet hebben, het Shakespeare-sonnet wel te verstaan, evenals de 590 tekstdelen waaruit de 'eigenlijke' roman is opgebouwd. Alles gesteld in een soepel vloeiend en soms ook statig Engels met een bijzonder rijke woordenschat, waarom ik drie maanden later er een tweetalige versie bij kocht met een Nederlandse vertaling door Paul van den Hout. Wat een prachtig-idiote onderneming, zo'n roman in die vorm.

Vandaag sla ik het boek open en begin erin te lezen en denk onmiddellijk: dit ga ik snel moeten herlezen. Ook al om die fraaie beelden, zoals 'Across the pine-serrated sky', zo mogelijk nog fraaier in vertaling: 'langs spargekarteld hemelblauw'.

En dan staat er in de krant dat ene Murakami grote kans maakt op de Nobel-prijs voor de literatuur met z'n akelige, saaie, platte, grijze, graatmagere taal. Wat een onzin.

Lees meer Seth, da's pas vet!